Als ecoloog bij SAB kun je natuurlijk niet om de stikstofproblematiek heen. Dagelijks hebben zij te maken met plannen en projecten die moeten worden doorgerekend met Aerius-calculator, kritische vragen van de omgevingsdiensten over stikstofemissie en de inzet van materieel tijdens de bouw. Maar wanneer zij zich dan verdiepen in de Wet natuurbescherming en de Habitatrichtlijn, om uit te zoeken of de stikstofdeposities ook ‘significant negatief’ kunnen zijn, ontstaat bij hen toch het gevoel dat het huidige stikstofbeleid van de overheid en de wet niet helemaal bij elkaar passen. In dit artikel geplaatst op www.omgevingsweb.nl gaat een van onze ecologen hier dieper op in.
Mediterraanse nachtgeluiden in Nederland
De ecologen van SAB zijn ook in de nazomer nog druk met de monitoring van vleermuizen. Naast vleermuizen horen ze daarbij regelmatig andere diersoorten, zoals uilen. In Zutphen was het echter geen uil die de aandacht trok, maar een vreemd, zomers geluid dat van een krekel bleek te zijn: een boomkrekel. Luister hier hoe een boomkrekel klinkt.
Boomkrekels tjirpen ’s avonds en ’s nachts en leven in ons land vooral in zeer zonnige en wat ruigere vegetaties, met struikjes en kruiden. In Nederland is de soort nog zeldzaam, maar mensen kennen het geluid van de boomkrekel misschien van hun vakantie in Zuid-Europa. Het is namelijk een soort die van warmte houdt en daar algemeen voorkomt.
Met het warmer worden van ons klimaat wordt ook ons land steeds geschikter als leefgebied. In 2004 vestigde zich een eerste populatie bij Lobith en sinds die tijd neemt de verspreiding in ons land toe. Vooral langs de grote rivieren breidt de soort zich steeds verder uit. Het is een soort die goed kan vliegen, maar wat waarschijnlijk ook bij de verspreiding helpt, is dat de eitjes goed bestand zijn tegen overstromingen en met het water meegevoerd kunnen worden in plantenmateriaal. De soort was al in Brummen, ten zuiden van Zutphen bekend en heeft nu dus weer een stapje naar het noorden gedaan. Ons land krijgt dus niet alleen een meer Mediterraan klimaat; maar ook het nachtelijke geluid wordt steeds meer Mediterraan.
Stedenbouwkundig plan Doonheide II in Gemert
Wonen in de kern Gemert, maar wel met het groene en landelijke karakter dat zo kenmerkend is voor de omgeving van de Peelse Loop: met die gedachte ontwerpen wij het stedenbouwkundig plan voor de nieuwe woonwijk Doonheide II. Dat doen we in opdracht van ontwikkelaar Keizersberg Vastgoed.

In het ontwerp voor de wijk richten we ons op een dorpse, groene en informele uitstraling. Om te zorgen dat de toekomstige bewoners ook echt van dit dorpse en groene beeld kunnen gaan genieten, leggen we de spelregels voor de bebouwing en openbare ruimte vast in een beeldkwaliteitsplan.
Het Eindhovens Dagblad geeft een inkijkje in de planvorming.
Aankondiging: nieuwe release Aerius
De Rijksoverheid heeft op 15 oktober 2020 de release van een nieuwe Aerius versie gepland. Het betreft de release van Aerius 2020, dat wordt gebruikt als rekenmodule voor stikstofonderzoeken. Momenteel wordt gewerkt met versie 2019A. De Rijksoverheid geeft aan dat het verwerken van nieuwe inzichten deze actualisatie noodzakelijk maakt. Echter, welke gevolgen heeft dit voor uw project?
De actualisatie van Aerius kan aanpassingen in de berekeningsmethodiek van het programma tot gevolg hebben. Hierdoor is op voorhand niet in te schatten of er andere resultaten uit de stikstofberekeningen naar voren komen. Er bestaat de mogelijkheid dat het bevoegd gezag na de release van Aerius 2020 verouderde berekeningen en rapportages niet meer zal accepteren. Voor reeds uitgevoerde stikstofberekeningen zullen na de release derhalve herberekeningen vereist zijn. Graag bespreken wij met u wat de specifieke consequenties voor uw project zijn en adviseren wij u over mogelijke oplossingen.
Inhoud actualisatie op hoofdlijnen
De actualisatie heeft betrekking op emissiefactoren, natuurgegevens, rekenmodellen en achtergronddepositie. Zo gaan er aanpassingen op emissiefactoren bij de mobiele werktuigen, wegverkeer, binnenvaart, zeescheepvaart en stallen plaatsvinden. Bij de actualisering van de natuurgegevens gaat het met name om de habitatkaarten, de relatie tussen soorten en leefgebieden en de doelstellingen van habitattypen en soorten.
klik hier voor meer informatie.
Gemeentelijke energietransitie in de praktijk
Vorig jaar publiceerde het kabinet het Klimaatakkoord: de Nederlandse uitwerking van de internationale klimaatafspraken van Parijs. We gaan met elkaar de CO2-uitstoot sterk verminderen; in 2030 met de helft ten opzichte van 1990. De overstap naar duurzame energie is natuurlijk niet in een dag gemaakt. Om de doelen te bereiken moet Nederland zuiniger omgaan met energie, stappen we over van elektriciteit uit kolen naar elektriciteit uit zon en wind en van warmte uit aardgas naar duurzame warmte (aardwarmte, restwarmte en groene waterstof). Wat betekent dat voor gemeentelijke opgaven?

Van Klimaatakkoord naar Regionale Energiestrategie
Bij de realisatie van de ambities uit het Klimaatakkoord zullen gemeenten een belangrijke rol gaan spelen. De Rijksoverheid legt een groot deel van de praktische uitvoering namelijk neer bij regio’s: in Regionale Energie Strategieën (RES) maken samenwerkende gemeenten afspraken over concrete thema’s als de ontwikkeling van windturbines en zonneparken. Inmiddels beschikken vrijwel alle energieregio’s over een concept-RES. Uiteindelijk moet op 1 maart 2021 de RES 1.0 gereed zijn. In de jaren daarna wordt de RES steeds verder uitgewerkt en aangescherpt. Daarbij wordt toegewerkt naar het verlenen van de benodigde omgevingsvergunningen in 2025 en het halen van de doelen voor 2030.
De opgaven zoals geformuleerd in de (concept-)RES’en moeten uiteindelijk op gemeentelijk niveau worden uitgewerkt. Het is aan de gemeenten om een integrale afweging te maken tussen de afspraken uit de RES, lokale ruimteclaims, de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en het draagvlak onder inwoners. Wij krijgen dan ook steeds meer vragen over de RES in het bijzonder en energietransitie in het algemeen. We zien dat steeds meer gemeenten behoefte hebben aan een beleidskader voor zonne-energie en (kleinschalige) windturbines. Sommige gemeenten laten daarbij veel ruimte voor initiatieven vanuit de markt, terwijl anderen juist liever sturen op de concentratie van duurzame energieopwekking in één gebied, om zo de rest van de gemeente te vrijwaren van ruimteclaims voor duurzame energieopwekking.

Zo werkt de praktijk
De gemeente Bergen in Limburg is een treffend voorbeeld van een gemeente die stuurt op concentratie. Deze gemeente bestaat voor een groot deel uit kwetsbare landschappen en gebieden met hoge natuurwaarden. Daarom kiest Bergen er bewust voor om de opwekking van duurzame energie te clusteren in een “energielandschap”: een gebied van circa 400 hectare waar ruimte is voor grootschalige zonneparken en windturbines. Op deze manier hoopt Bergen in 2030 als eerste gemeente in Limburg energieonafhankelijk te worden. Wij adviseren de gemeente en verzorgen de bestemmingsplanprocedure.
Daarnaast denken wij met diverse gemeenten mee over de vertaling van de concept RES-afspraken in gemeentelijke (beleids)doelen. We voeren bijvoorbeeld locatiestudies uit, waarmee we de ruimtelijke (on)mogelijkheden voor wind- en zonne-energie concreet in beeld brengen. Wat is de maximale opbrengst die behaald kan worden en waarmee ook de ruimtelijke kwaliteit van het (stedelijk) landschap behouden blijft? Met heldere kaarten maken we inzichtelijk welke spelregels en randvoorwaarden zouden moeten gelden voor windmolens en zonneparken. Zo helpen wij gemeenten om hun positie binnen de RES te verstevigen én om nieuwe initiatieven voor zonne- en windenergie adequaat en in samenhang te kunnen beoordelen.

Omgevingswet
Er zijn volop kansen om de RES te koppelen aan de cyclische aanpak van de nieuwe Omgevingswet. Die benutten wij graag! Veel gemeenten werken al aan een omgevingsvisie. Dat biedt een uitgelezen kans om de regionaal geformuleerde doelen lokaal af te wegen en heldere keuzes voor de lange termijn te maken. Maar niet alleen de omgevingsvisie, ook andere omgevingswetinstrumenten – zoals het programma en omgevingsplan – spelen een belangrijke rol bij het behalen van doelstellingen uit de RES. Een programma is bijvoorbeeld specifiek gericht op het bereiken van doelen en kan in combinatie met een omgevingswaarde (in het omgevingsplan) een goed middel zijn om de energietransitie aan te jagen. Het programma heeft een meer uitnodigend karakter; het betreft de concrete vertaling van de omgevingsvisie naar een uitvoeringstraject. Dit in tegenstelling tot het omgevingsplan, dat meer het karakter van een verordening heeft en dus restrictiever werkt.
Hoe kunnen wij uw duurzaamheidsambities verder brengen?
Hoe bent u aan de slag met energietransitie? Wat is uw positie binnen de Regionale Energiestrategie en hoe gaat u hieraan uitvoering geven? Diverse SAB-adviseurs zijn opgenomen in de Expertpool van het Nationaal Programma RES. Zij adviseren u graag over de doorwerking van de RES op lokaal niveau. Zo geven we samen richting aan uw én onze duurzaamheidsambitie.
Nieuwsbrief: Van energietransitie tot operatie heikikker: zo duurzaam zijn onze plannen
Onze nieuwsbrief ‘Van energietransitie tot operatie heikikker: zo duurzaam zijn onze plannen’ is uit! Lees hem hier.
Omgevingsvisie in de praktijk
Nu de meesten van ons bekend zijn met de inhoud van de Omgevingswet en de bijbehorende kerninstrumenten, wordt het tijd voor de volgende stap: de praktijk. Samen met diverse gemeenten werken wij momenteel aan meerdere omgevingsvisies. We nemen u graag mee in onze ervaringen.
Reset de mindset
De omgevingsvisie geeft sturing aan alle thema’s binnen de fysieke leefomgeving. De ambitie om al deze sectorale beleidsvelden – dus ook het sociale domein – bijeen te brengen en te komen tot integrale afwegingen, is voor gemeenten aanleiding alle beleidsvelden op te trommelen. Denk mee, doe mee! Deze integrale werkwijze is voor veel gemeenten echter een nieuw fenomeen. Het is soms een beetje onwennig, want het vergt een andere mindset van zowel ambtenaren als bestuurders; er moet immers breder worden gekeken dan alleen het eigen beleidsveld.

Een mindset resetten doe je echter niet met één druk op de knop, omdat er toevallig een omgevingsvisie gemaakt moet worden. Dat is een geleidelijk proces. Wij nemen gemeenten aan de hand en helpen ambtenaren en bestuurders om het opstellen van de omgevingsvisie als een eerste stap naar een vernieuwende manier van werken binnen hun organisatie te zien. We gaan gezamenlijk om tafel met ambtenaren uit het sociale en ruimtelijke domein om alle opgaven in het sociale domein met een fysieke component te achterhalen. Wat is de invloed van een dalend leerlingenaantal op maatschappelijk vastgoed? Wat betekent de klimaatverandering (o.a. hittestress) voor kwetsbare groepen en hoe gaan we daarmee om? Kunnen we sporten stimuleren door bewegen in de openbare ruimte aantrekkelijker te maken? Vaak realiseren medewerkers zich niet dat vraagstukken uit het sociaal domein op deze manier (kunnen) ingrijpen op de fysieke leefomgeving en andersom. Op een enthousiaste en aanstekelijke manier creëren wij bewustzijn en stimuleren we een integrale aanpak.
Voorkom participatiemoeheid
Niet alleen binnen de muren van het gemeentehuis wordt gezocht naar een nieuwe manier van werken, ook daarbuiten blijft niet alles bij het oude. Burgerparticipatie krijgt onder de Omgevingswet een belangrijke rol. Dat is voor sommige gemeenten aanleiding om groots uit te pakken; van flitsende fietssafari’s tot interactieve spelshows.
Hoe creatief en goedbedoeld sommige initiatieven ook zijn: wij vinden het belangrijk dat participatie niet zijn doel voorbij schiet. Inwoners van een gemeente willen gehoord worden. Wanneer de input die zij geven uiteindelijk niet zichtbaar landt in de omgevingsvisie en gemaakte keuzes en dilemma’s – en die komt u ongetwijfeld tegen bij het opstellen van een omgevingsvisie – niet ter sprake komen, ligt participatiemoeheid al snel op de loer. En dan is de Omgevingswet nog niet eens in werking getreden…
Juiste middel op het juiste moment
Participatie moet aansluiten bij de belevingswereld van belanghebbenden en bij het stadium waarin een plan of visie zich bevindt. Wij helpen gemeenten en andere opdrachtgevers om de juiste participatievorm op het juiste moment in te zetten. Digitale participatie is bijvoorbeeld heel handig gebleken tijdens de uitbraak van Covid-19, maar is zeker niet zaligmakend. Deze vorm van participatie sluit beter aan bij jongere generaties dan bij oudere generaties. Bovendien is digitale participatie weliswaar succesvol bij het ‘ophalen van informatie’, maar minder geschikt voor een dialoog of discussie.
Fysieke bijeenkomsten blijven dus nodig en participatie blijft altijd maatwerk; het ligt er maar net aan wie op een bepaald moment participeert (inwoners of stakeholders) en in welke fase het proces zich bevindt (is het bedoeld om informatie op te halen of moeten er keuzes worden gemaakt?). Bovendien hangt de mate van participatie af van de rol die de gemeenteraad zich toe-eigent en de rol die zij bewoners/stakeholders geeft. Het antwoord op al deze vragen moet leiden tot een op maat gesneden participatieplan.
Gaat u binnenkort ook starten met het opstellen van een omgevingsvisie? Wij delen graag meer van onze ervaringen met u en denken waar nodig met u mee.
Omgevingswet en planschade
Ruimtelijke ontwikkelingen zijn altijd bedoeld om de wereld een stukje mooier te maken. Toch kan het gebeuren dat een ontwikkeling negatieve gevolgen heeft voor bestaande functies in de omgeving. Soms zijn die negatieve gevolgen zo groot dat er sprake is van planschade en dat er een compensatie moet plaatsvinden.
In de huidige wetgeving is planschade stevig verankerd. Wij kijken alvast vooruit naar de veranderingen die de Omgevingswet op dit gebied gaat brengen.
Globalere besluiten
Onder de Omgevingswet zullen besluiten worden genomen die veelal globaler zijn dan nu het geval is. Uitgaande van een worstcasescenario kan zo’n besluit in theorie tot veel meer schade leiden dan uiteindelijk, bij uitvoering, het geval is. Daarom wordt het toetsingsmoment voor planschade verplaatst naar de omgevingsvergunning (of de feitelijke uitvoering van de activiteit). Bovendien zal het kopen van een huis na vaststelling van bijvoorbeeld een omgevingsplan niet meer worden gezien als actieve risicoaanvaarding.

Van planschade naar nadeelcompensatie
Anders dan nu zal onder de Omgevingswet niet alleen een omgevingsplan een grondslag zijn voor planschade, maar ook andere besluiten van overheidsinstanties. Daarom wordt de term planschade straks vervangen door “nadeelcompensatie”. De Omgevingswet noemt meerdere handelingen, activiteiten en besluiten die schade kunnen veroorzaken (programma, omgevingsplan, omgevingsvergunning). De lijst in de Omgevingswet is limitatief. Nadeelcompensatie is onder de Omgevingswet dus alleen mogelijk bij schade die veroorzaakt wordt door een handeling, activiteit of besluit die in de wet benoemd is.
Eén standaardforfait
Voor een deel wordt planschade, zeker als het indirecte planschade betreft, gezien als een normaal maatschappelijk risico. Daarom komt nu minstens 2% en maximaal 5% van de geleden schade voor eigen rekening: het zogenaamde forfait. Onder de Omgevingswet wordt een standaardforfait bepaald van 4%. Het voorstel was om een forfait van 5% aan te houden, maar de Tweede Kamer heeft dat op 7 maart 2019 teruggebracht tot 4%.
Wanneer een aanvraag om schadevergoeding betrekking heeft op meerdere handelingen, activiteiten en besluiten met onderlinge samenhang, mag dit forfait slechts één keer in mindering worden gebracht op het totale schadebedrag. Onder de huidige wetgeving moet voor ieder plan afzonderlijk een verzoek tot planschade worden ingediend, waarbij steeds afzonderlijk sprake is van het forfait. Daardoor ontstaan er situaties waarbij de schade van elk afzonderlijk besluit het forfait niet overstijgt, terwijl de totale schade dat wel doet. De Omgevingswet brengt daar dus verandering in.
Geen recht op compensatie
Onder de Omgevingswet kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur situaties worden vastgelegd waarbij geen recht bestaat op nadeelcompensatie. Daarbij zal het bijvoorbeeld gaan om bouw- en gebruiksactiviteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist (artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). Er is bij het uitsluiten van gevallen wel de voorwaarde gesteld dat op voorhand vaststaat dat er geen schade wordt geleden die boven het maatschappelijk risico uitkomt en dat de schade niet onevenredig is ten opzichte van anderen.
Grotere onzekerheid
De Omgevingswet brengt de ruimtelijke ordening meer flexibiliteit en onvermijdelijk leidt dat op het gebied van planschade tot meer onzekerheid; voor degene die wil gaan ontwikkelen én voor degene die geconfronteerd wordt met een nieuwe ontwikkeling. Door het verschuiven van het toetsingsmoment wordt het voor een gedupeerde van een beoogde ruimtelijke ontwikkeling lastiger om geleden schade vergoed te krijgen. Het uitvoeren van (een deel van) een omgevingsplan kan veel langer duren dan de nu nog geldende termijn van 5 jaar. Het blijft lange tijd onzeker van welke mogelijkheden in een omgevingsplan gebruik zal worden gemaakt en die onzekerheid kan al leiden tot schade. Deze schaduwschade wordt onder de Omgevingswet groter.
Wilt u meer weten over de veranderingen die de Omgevingswet brengt op het gebied van planschade of heeft u vragen met betrekking tot planschade rond uw eigen ontwikkeling? Neem dan contact op met één van onze adviseurs.
Operatie heikikker
Het dorp Lopik, in de provincie Utrecht, krijgt er de komende jaren een nieuwe woonwijk bij. Helemaal zonder slag of stoot ging dat niet: het plangebied bleek namelijk al bewoond… door de wettelijk beschermde heikikker.
Multidisciplinair project
Vanuit SAB werken collega’s vanuit verschillende vakgebieden aan de ontwikkeling van Lopik Oost: we stelden het stedenbouwkundig plan op en maakten het bestemmingsplan én we verzorgen de ecologische begeleiding van het hele proces, in lijn met de Wet natuurbescherming.
Zoals gebruikelijk begon de ecologische begeleiding van het project Lopik Oost met het uitvoeren van een quick scan naar de flora en fauna in het plangebied. Al snel bleek dat het plangebied geschikt was voor de heikikker (een beschermde soort) en was een nader onderzoek noodzakelijk. Daarbij troffen we een flinke populatie van tientallen heikikkers aan.

Zeldzame soort
De heikikker is zeldzaam en komt, naast heide- en veengronden, voor op lager gelegen agrarische poldergronden. Hij kan zich handhaven in weilanden die niet intensief worden gebruikt en beheerd en leeft daar in en bij slootjes. In de Lopikerwaard komt de heikikker nog relatief veel voor, maar hij is erg gevoelig voor veranderingen in het landschap en kan zich niet handhaven in een woonwijk, hoe groen die ook is. De enige optie om de woonwijk te kunnen realiseren zonder de populatie heikikkers aan te tasten, was om deze beschermde dieren naar een nieuw leefgebied te verplaatsen.
Compensatiegebied
Samen met de opdrachtgever zijn we op zoek gegaan naar een geschikt compensatiegebied. Hiervoor hebben we een groot onderzoek in de omgeving laten uitvoeren naar de functie van de populatie heikikkers in het plangebied ten opzichte van de omgeving. Een gebied ten oosten van het plangebied bleek geschikt als nieuw leefgebied. In overleg met de gemeente Lopik (eigenaar van de grond) hebben we dit gebied ingericht als compensatiegebied. Oevers en sloten zijn belangrijk voor de heikikker, dus hebben we extra sloten laten graven en de oevers laten inzaaien met gebiedseigen zaden van oeverplanten. Het beheer van het gebied zal specifiek worden aangepast op de behoefte van de heikikkers, wat betekent dat extensieve begrazing door bijvoorbeeld koeien zal plaatsvinden en dat er niet gemaaid zal worden.

De grote verhuizing
Gedurende deze zomer ontwikkelt het gebied zich tot geschikt leefgebied. In de nazomer gaat de verhuizing daadwerkelijk plaatsvinden. We plaatsen dan amfibieschermen rond het hele plangebied, waarbij we aan de binnenkant van het scherm diepe emmers ingraven. Wanneer de kikkers actief zijn, vallen ze via de schermen in de emmers. Wij controleren de emmers elke dag en plaatsen de heikikkers direct over naar het nieuwe leefgebied. Dit blijven we doen tot we meerdere dagen geen kikkers meer vangen. Daarnaast scheppen we de sloten in het plangebied leeg. Heikikkers gaan naar het compensatiegebied, andere dieren die we daarmee vangen kunnen direct naar de sloten naast het plangebied worden overgebracht.
Vertraging en lessen
Hoewel het ons een mooie en uitdagende klus heeft opgeleverd en wij blij zijn dat we deze populatie heikikkers straks een mooi nieuw leefgebied kunnen aanbieden, is het vervelend voor opdrachtgevers wanneer projecten vertraging oplopen.
Wij adviseren ontwikkelaars daarom al in een vroeg stadium van het proces een quick scan flora en fauna (en eventueel nader onderzoek) te laten uitvoeren. Het is een relatief kleine investering, waarmee gedurende het proces een kostbare vertraging (met één of meerdere jaren) kan worden voorkomen.
Wilt u meer weten over Operatie Heikikker of heeft u vragen met betrekking tot ecologie rond uw eigen ontwikkeling? Neem contact met ons op.
Advies Meten en Berekenen Stikstof
Op maandag 15 juni 2020 verscheen het eindadvies
De Rijksoverheid heeft eind 2019 het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof ingesteld en de opdracht gegeven onderzoek te doen naar de gebruikte meet- en rekenmethodes voor het bepalen van stikstofdepositie. Gisteren, maandag 15 juni 2020 verscheen het eindadvies waarin onder andere wordt ingegaan op het gebruik van het programma Aerius bij het berekenen van de stikstofdepositie.
De belangrijkste bevinding is dat de wetenschappelijke basis voor de wetenschappelijke onderbouwing voor het meten en berekenen van de concentratie en depositie van stikstofverbindingen op orde is. Wel wordt geconcludeerd dat het gebruik van Aerius Calculator, het programma dat voor de Rijksoverheid maatgevend is bij stikstofonderzoeken, in zijn huidige vorm niet doelgeschikt is omdat het niet aansluit bij het beleidsmatige gewenste detailniveau bij de vergunningverlening. Daarnaast worden wegverkeeremissies anders berekend dan overige bronnen zoals de landbouw. In een eerste appreciatie heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangegeven dat Aerius voor de vergunningverlener het best beschikbare instrument is om inzicht te krijgen in de effecten van individuele projecten op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden en dat dit ook uit de jurisprudentie als best beschikbare methode naar voren komt.
Bij stikstofonderzoeken hanteert SAB altijd de actuele versie van Aerius Calculator, op dit moment betreft die Aerius Calculator 2019A (d.d. 14 januari 2020). Voor projecten die worden onderzocht geldt derhalve altijd dat onderzoek en rapportage plaatsvinden op basis van het vigerende beleid van de Rijksoverheid. Daarmee heeft het eindadvies van het Adviescollege geen direct effect op de stikstofonderzoeken die SAB uitvoert. De doorontwikkeling van Aerius kan wellicht tot gevolg hebben dat er op termijn een nieuwe versie beschikbaar komt, uiteraard kunnen wij desgewenst op dat moment reeds uitgevoerde berekeningen in oude Aerius versies opnieuw inlezen en onderzoeken.
Rapport: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/06/15/meer-meten-robuuster-rekenen
Kamerbrief Minister: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/06/15/kamerbrief-eindadvies-adviescollege-meten-en-berekenen-stikstof
Reactie RIVM: https://www.rivm.nl/nieuws/reactie-op-eindadvies-adviescollege-meten-en-berekenen-stikstof
